terpstraopurk.punt.nl
Abonneren
Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!
Laatste reacties
    Efeze 4: 30

    Jongens en meisjes,

     

    Stel je eens voor: je bent op vakantie. In die streek zijn veel bergen. Je kunt er uren klimmen. Je kunt er wandelen over spannende paadjes. Paadjes en beklimmingen, die ook gevaarlijk zijn. Daar moet je wel mee met een gids. Iemand die al die beklimmingen en paadjes goed kent. Dus weet hij waar je wel langs kunt. En waar je maar beter vandaan kunt blijven. Je bent dom bezig als je niet goed naar de gids luistert.

                Stel nu dat je met de gids meegaat. Maar je bent ook een beetje eigenwijs. Dus wat doe je? Je loopt niet meer achter de gids aan, over de veilige paden. Je kiest je eigen weg. Een, die veel gevaarlijker is. Zodat je misschien wel een ongeluk krijgt. Wat zal de gids daarvan vinden, denk je? Die wordt misschien boos, omdat je zo dom bezig bent. Maar is hij dan alleen maar boos? Dat denk ik niet. Ik denk dat de gids eigenlijk dan verdrietig is. Verdrietig omdat je niet naar hem wilt luisteren. Verdrietig, omdat hij bezorgd is dat jij een ongeluk krijgt.

                Wat zou de gids dan kunnen doen? Hij zal proberen je terug te krijgen op de goede weg. Hij zal je waarschuwen. Vast meerdere keren. Maar stel dat je echt niet wilt luisteren. Wat moet de gids dan doen? Dan moet hij je op een gegeven moment alleen laten. Dan moet je het zelf maar uitzoeken. Dan ben je een stuk minder zeker, of je wel goed aankomt.

                Wat staat er nu in tekstvers, vers 30? Dit: ‘En bedroef de Heilige Geest van God niet, door Wie u verzegeld bent tot de dag van de verlossing.’ Alle christenen zijn van God, zegt Paulus. Dat merk je aan de Heilige Geest. Die werkt in het leven van elke christen. Door die Geest laat God merken: jij bent van Mij. Mijn eigendomszegel is op jouw leven gedrukt. De Heilige Geest is dan ook je Gids. Op weg naar de dag van de verlossing. Dat is de dag dat Jezus terugkomt en alles goed is. Maar onderweg moet je wel goed naar deze Gids luisteren. Doe je dat niet? Dan maak je Hem verdrietig. Dan jaag je Hem weg. Nee, Hij verlaat je nooit helemaal. Maar je merkt veel minder van Hem. De reis wordt er moeilijker en gevaarlijker door.

                Maar hoe kun je de Heilige Geest verdrietig maken? Of juist blij? We zien het in de verzen voor en na ons tekstvers. Boven de preek heb ik geschreven:       

     

    De Heilige Geest: bedroefd of verblijd?

    1: door onze woorden    2: door onze daden    3: door onze barmhartigheid

     

    De Heilige Geest: bedroefd of verblijd? – (1) door onze woorden

                We hebben al heel vaak stilgestaan bij de Efezebrief. Waar gaat het in deze brief nu vooral om? Om de eenheid. Die is een gave. Want Jezus heeft er Zijn bloed voor gegeven. Zo is één gemeente van Christus ontstaan, bestaande uit Joden- én heidenchristenen. Paulus heeft ook hard gewerkt voor de vorming van die ene gemeente. Door zijn werk onder niet-Joden. Maar die eenheid is ook een opgave. Dat merk je aan dit vierde hoofdstuk. De gemeenteleden moeten hard werken. Dit is nodig: een levenswandel ‘in alle nederigheid en zachtmoedigheid, met geduld, door elkaar in liefde te verdragen en u te beijveren om de eenheid van de Geest te bewaren door de band van de vrede…’ Zo wordt de eenheid bewaard.

                Vervolgens geeft de Heere Jezus ook ambtsdragers. Hij heeft ze buitgemaakt uit de heerschappij van satan. Vanuit de hemel geeft Hij ze aan de gemeente. Een belangrijke taak voor hen is het bouwen aan de eenheid. 4: 1-16 komen hierop neer: bewaar de eenheid door elkaar lief te hebben. Accepteer daarin de leiding van de ambtsdragers.

    Vers 17-24 gaan over het onderwijs binnen de gemeente. Wat is jullie uitgelegd? Dat het onderwijs over Christus scheiding aanbrengt. Tussen jullie en niet-gelovigen. Van allerlei onreinheid hoort daarom geen sprake meer te zijn. Geloof in Jezus betekent het afleggen van de oude Adam, met al zijn praktijken. Dat is jullie verteld. Jullie hoorden ook dat je door geloof in Jezus vernieuwd bent. En nog elke dag vernieuwd wordt. Zodat Adam weer zichtbaar wordt. Adam, zoals hij door God bedoeld was.

    Díe vernieuwing heeft heel praktische gevolgen. Die van grote invloed zijn op de eenheid van de gemeente. Die gevolgen schetst Paulus vanaf vers 25. Daar staat: ‘Leg daarom de leugen af en spreek de waarheid, ieder tegen zijn naaste; wij zijn immers leden van elkaar.’ De oude mens afleggen? Dat is ook: de leugen afleggen. Weet je wat het is met liegen? Daarmee heb je altijd je eigenbelang op het oog. Níet het belang van de ander. Met het vertellen van de waarheid dien je je naaste. Met wie Paulus hier bedoelt: je broeder of zuster binnen de gemeente. Met elkaar ben je leden van het ene lichaam van Christus. Elkaar en dat lichaam bouw je op door de waarheid. 

    Wat betekent dat praktisch? Ten eerste: de waarheid spreken doe je door gemeende jawoorden. Laat me een voorbeeld geven uit de Bijbel. In Handelingen 5 lees je over Ananias en Saffira. Ze hebben grond verkocht. Slechts een deel willen ze aan de gemeente geven. Voor de armenzorg. De rest willen ze voor zichzelf houden. Dat is op zich niet verboden. Maar wat doen Ananias en Saffira? Die gaan hierover liegen. Ze dóen alsof ze al het geld aan de gemeente geven. Want zo kunnen ze goede sier maken bij hun medegemeenteleden. Waar is die leugen dus goed voor? Voor hun eigen aanzien. Is die leugen ook goed voor de gemeente? Nee, want hun medegemeenteleden worden voor de gek gehouden. Stel dat het uitkomt. Wat een boosheid en verdriet zal dat geven!

    Mag ik voorbeelden geven uit het gemeenteleven van nu? Er worden in de kerk heel wat jawoorden uitgesproken. Denk aan alle huwelijksbevestigingen. Vergeet ook niet alle diensten van openbare geloofsbelijdenis. En denk ook aan alle keren dat er een kindje wordt gedoopt. Ouders verklaren dat de waarheid van God de waarachtige en volkomen leer van de zaligheid is. Ze verklaren dat Christus Zijn handen naar hun kindje uitstrekt. Hoewel het in zonde ontvangen en geboren is. En…ze beloven hun kind met Christus en Zijn Evangelie te willen opvoeden.

    Wat komt er van dat jawoord terecht? In heel veel gevallen doen ouders oprecht hun best. Daar zijn we dankbaar voor. Voor hen bidden we om trouw en volharding. Er zijn ook ouders die hun beloftewoord uitspreken. Maar die we vervolgens nauwelijks terugzien in de kerk. De reden zal verschillend zijn. Er kunnen ineens moeilijke omstandigheden zijn. Teleurstellingen in het geloof en in het leven. Maar er is ook een andere mogelijkheid. Helaas wel. En die is, dat het eerdere jawoord wel werd uitgesproken. Maar niet echt gemeend werd. Waarom werd er gedoopt? Uit eigenbelang. Want de schoonfamilie verwacht dat. Of oma verwacht het. Of je wilt niet afwijken van anderen. Maar heb je dan het belang van de gemeente ook op het oog? Van het geheel dus? Dien je zo de eenheid? Het lijkt er niet op. De gemeente raakt teleurgesteld in jonge ouders. Ze wordt misschien wel cynisch: die jonge ouders beloven van alles, maar ondertussen… Anderen ergeren zich aan leeftijdgenoten. Ze kunnen niet met die slapheid. Bij een gemeente met zoveel slapheid willen ze niet horen. Wordt zo de eenheid gediend? Het lijkt er niet op.

    En dan die jawoorden bij de openbare geloofsbelijdenis. Je belooft trouw te zijn in het bezoeken van de diensten. Maar ook in het meewerken aan de opbouw van de gemeente. De diensten met die jawoorden zijn altijd bijzonder hoopvol. Ook de predikant gaat ervan uit dat alle belijdeniscatechisanten ‘ervoor gaan’. Soms snel na de belijdenisdienst blijkt het tegendeel. Aan de gespreksgroep wordt niet meegedaan. Erger nog: sommigen zie je steeds minder of niet meer in de kerk. Een oprecht jawoord dient de opbouw van de gemeente. En daarmee de eenheid. Maar niet oprecht gemeente jawoorden  breken af. Ze geven onderlinge verwijdering. Door de teleurstelling die ze veroorzaken.

    Waar zijn je medegemeenteleden mee gediend? Dat je de waarheid spreekt tegen hen. Dat je je dus niet mooier voordoet dan je bent, uit eigenbelang. Liever dus niet trouwen in de kerk, liever geen belijdenis, dan leugens uit te spreken. Leugens die in het leven van Gods kinderen geen plaats meer horen te hebben. Ze horen bij de oude Adam. Die moet als een versleten kledingstuk worden afgelegd. Elke dag opnieuw.

    Ten tweede: de waarheid spreken doe je door dat in liefde te doen. Soms kun je er in de kerk maar beter niet omheen draaien. Het is soms makkelijker om iemand de waarheid niet te zeggen. Maar dan wordt er vaak over die ander met anderen gesproken. Dat bouwt zeker de eenheid niet op. Daarom kan het nodig zijn het gesprek met die ander aan te gaan. En daarin te zeggen wat je dwarszit. Te zeggen waarin die ander steken laat vallen. Maar het hangt er dan wel vanaf hóe je de waarheid zegt. Je kunt dat hard en ongezouten doen.  Dan beoog je meer je eigenbelang: zo, ik heb mijn gelijk eens lekker geventileerd! Maar zo zoek je niet wat samenbindt. Zo veroorzaak je zomaar conflicten. Daarom: laat het spreken van de waarheid ‘in liefde’ gebeuren. Precies zoals staat in vers 15. Spreek de waarheid, maar blijf die ander liefhebben. Hoeveel pijn je misschien ook geleden hebt.

    Ten derde: de woorden die je spreekt moeten een opbouwend karakter hebben. Denk aan vers 29. Welke woorden bouwen de gemeente en haar eenheid op? Vuile, obscene woorden doen dat niet. Waarmee bouw je wel op? Met woorden die ‘goed’ zijn, ‘nuttig tot opbouw’. Je kunt hierbij denken aan woorden van vertroosting of bemoediging. Woorden die gebaseerd zijn op hét Woord. Of die dat Woord uitleggen en toepassen. Die woorden zijn instrumenten voor de Heilige Geest. Door die woorden deelt Hij de genade van de Heere mee. Zo worden mensen persoonlijk opgebouwd in het geloof. Maar zo wordt ook de gemeente opgebouwd. Waar we zo met elkaar spreken, dienen we elkaar. En dienen we elkaar? Dan groeit de verbondenheid. En daarmee de eenheid. En dan heeft de Heilige Geest alle reden om blij te zijn.

     

    De Heilige Geest: bedroefd of verblijd? – (1) door onze woorden    (2) door onze daden

                Werken? Handenarbeid doen? Nee, dat is niets voor ons, vrije burgers! Dat is beneden onze waardigheid. Zo reageren velen in Efeze en omgeving. Waarom zou je hard werken als je ook ánders aan je geld kunt komen? Je kunt denken aan diefstal. Er wordt blijkbaar wat afgestolen in Efeze en omgeving. Blijkbaar werken dit soort gedachten na onder christenen. Want Paulus neemt niet voor niets vers 28 op: ‘Wie gestolen heeft, moet niet meer stelen, maar zich liever inspannen om met de handen goed werk te doen…’ Laten christenen niet meegaan in makkelijk geld willen verdienen. Desnoods over de ruggen van anderen heen. Jullie, ook in Efeze, moeten bezig zijn met werk. Ook niet met alle werk. Niet alle werk kan door de beugel. Jullie moeten daarom bezig zijn met werk in eerbare beroepen.

                Diefstal: komt dat nog steeds onder christenen voor? Ik denk het wel. Onder Urker gereformeerden evengoed. Dan kun je denken aan de grove manier van diefstal. Denk aan jatten uit winkels. Denk aan diefstal na inbraak. Maar er zijn ook meer geraffineerde vormen van diefstal. Alle diefstal draait uiteindelijk om eigenbelang. Ik wil beter worden door iets dat een ander heeft. Of waar een ander recht op heeft. En daarom wil ik me dat toe-eigenen. En daarom éigen ik het me ook toe. Onder deze uitleg van ‘diefstal’ valt meer dan alleen de grove vorm. Hierbij kun je ook denken aan zwart werken. De overheid heeft recht op een deel van het geld dat ik verdien. Maar ik wil het voor mezelf houden. Dus doe ik geen aangifte voor de belasting. Daarmee ontneem ik de overheid geld dat eigenlijk al van haar is. Dat is diefstal. Je kunt ook denken aan het invullen van de belastingaangifte. Hoe eerlijk doe ik dat? Denk ik vooral aan mezelf en wil ik de overheid háár geld ontnemen? Je kunt ook denken aan fraude met allerlei toeslagen.

                Bij de grove vorm van diefstal denken we mogelijk: bah! Dat zou ik nou nooit doen! Daar acht je jezelf snel te goed voor. Maar die andere vormen van diefstal: weet u het zeker? Ze komen voor op kerkelijk erf. Meerdere penningmeesters van kerken konden de verleiding niet weerstaan. Ze eigenden zich geld van de kerk toe. Foei! Wat erg dat kerkelijke mensen zoiets doen! Ja, dan hebben we het over een ander. Ik wil het liever hebben over ú en jóu.  Weet u zeker dat u zich ook daar nooit schuldig aan zou maken? Of dat u zich er nooit schuldig aan gemaakt heeft? Dan zou u zichzelf wel heel slecht kennen! Want geen mens wordt geboren zonder ik-gericht hart. U en ik: uit onszelf zijn we uit op eigen voordeel. En wel langs de makkelijkste weg. Zonder al teveel zware inspanning.  

                Stel dat deze vormen van diefstal aan het licht treden. Bekend wordt dat ook christenen zich hieraan schuldig maken. Dan hebben Gods kinderen zich niet onderscheiden. Dat de wereld op deze manier uit is op eigenbelang, ok. Maar van christenen mag toch verwacht worden dat ze anders in het leven staan! Dat is ook zo. Daar zou Paulus het helemaal mee eens zijn. Zie vers 28. Een christen hoort zich niet met enige vorm van diefstal bezig te houden. Hij hoort te werken. Als het kan, zeg ik er wel bij. Dat kan ook werk met de handen betekenen. Desnoods zwaar werk. Trouwens: in onze tijd wordt werk met de handen niet altijd gewaardeerd. Werk van hogeropgeleiden op kantoor heeft meer status. Denk aan managers. Denk aan mensen die bezig zijn met computers. Maar Paulus gaat daar niet in mee. Werk met de handen is evengoed belangrijk.

    Als er maar goed werk uit je handen voortkomt, wat je ook doet. Wat bedoelt Paulus met ‘goed werk’? Hij doelt op werk dat eerbaar is. Een christen kan niet in elk beroep werkzaam zijn. Een christen kan niet werken in de seksindustrie. Een christen kan zijn geld niet verdienen met drugs. Maar nu wordt het u misschien nog niet duidelijk.  We snappen allemaal dat bepaalde beroepen niet kunnen. Maar draai het nu eens om. Zeg het nu eens positief. Wat is nu ‘goed werk’? Dat is werk dat beantwoordt aan het Grote Gebod. Dat is werk, gedaan uit liefde voor de Heere. Door die talenten te gebruiken die je van Hem gekregen hebt. Dat is werk, gedaan uit liefde voor je naaste. Maar daarover straks meer. Dat is ook werk, gedaan uit liefde voor jezelf. Want Christus geeft immers opdracht je naaste lief te hebben als jezelf. Dus mag je uiteraard werken voor je eigen levensonderhoud.

    In dit licht is het goed na te denken over je studie- en beroepskeuze. Of over het werk dat je nu al doet. Met welke insteek doe je het? Doe je het, om een ‘goed werk’ te doen? Goed, in de zin van het Grote Gebod? Het is goed daarover na te denken. Geloof en dagelijks leven hebben alles met elkaar te maken. Geloof en dagelijks werken zeker!

    Maar de oplettende meelezer zal wel iets zijn opgevallen. Namelijk dat ik nog niet heel vers 28 heb voorgelezen. Volledig staat er: ‘Wie gestolen heeft, moet niet meer stelen, maar zich liever inspannen om met de handen goed werk te doen, om iets te kunnen delen met wie gebrek heeft.’ Het gaat mij juist om die laatste woorden. U weet nog waar deze preek over zou gaan. Namelijk over hoe de Heilige Geest verblijd of juist bedroefd wordt. Verblijd wordt Hij door woorden die de gemeente opbouwen. Die haar meer één maken. Verblijd wordt de Geest ook door daden die de gemeente meer één maken.

    En die daden hebben volgens Paulus met geld te maken. Werken is nodig, volgens Paulus. Maar het juiste gebruik van mijn geld ook, zegt hij. Laat ik toch werken ‘om iets te kunnen delen met wie gebrek heeft’. Daarbij denkt Paulus aan medegemeenteleden. Broeders en zusters die met armoede te maken hebben. Een christen mag werken om iets aan hen te kunnen afstaan. Zo wordt de gemeente opgebouwd en versterkt.

    En nu u en ik. Misschien ben je beslist geen dief. Mogelijk oefen je ook een volstrekt eerbaar beroep uit. Maar waarvoor werk je? Om geld te verdienen, natuurlijk. Daar is ook niets mis mee. Maar waarom wil je geld verdienen? Hopelijk ook om je naaste lief te hebben. In het bijzonder die naaste binnen de gemeente. Met geld dat jij geeft kan de diaconie arme gemeenteleden ondersteunen. Zo laat je zien dat je er voor een broeder of zuster wilt zijn. Zo geef je aan dat die ander je ter harte gaat. Wat kan de gemeente meer opbouwen dan dat!

    Je hoeft niet alleen te denken aan gemeenteleden dichtbij. Je kunt ook denken aan broeders en zusters veraf. Er is gebrek genoeg in de wereldwijde kerk. Er zijn wegen genoeg om hen te ondersteunen. Er zijn goede doelen genoeg. Wat doe je met die goede doelen: links laten liggen, alles voor jezelf houden? Of inzien waarvoor de Heere je werk en inkomen geeft: óók om goed te doen. Om juist zo de kerk op te bouwen. Veraf en dichtbij. Hebzucht in dit opzicht bedroef de Heilige Geest. Vrijgevigheid verblijdt Hem juist.

     

    De Heilige Geest: bedroefd of verblijd? – (1) door onze woorden    (2) door onze daden    (3) door onze barmhartigheid

                ‘Word boos’, staat er in vers 26. Dat lijkt ons een wat merkwaardige opdracht. Boos worden is toch nooit goed? Zelfbeheersing is toch een deugd? En je moet toch weten van vergeven en van vergeten? Je moet je naaste liefhebben als jezelf. Daarmee lijkt boos worden nogal in strijd.

                Toch lezen we van de toorn van God. Hij wordt boos op Zijn volk als het niet voor Hem wil leven. Als het geen rechtdoet aan mensen in nood. Gods kinderen mogen in díe woede delen. Je mag dan verontwaardigd zijn over het overtreden van Gods geboden. Iets dat in Nederland massaal aan de orde is. Je mag dan verontwaardigd zijn als zwakke mensen in nood zijn. En nergens een helper vinden.

                Je kunt ook boos zijn op een broeder of zuster. Misschien terecht. Maar blijf je erin? Blijf je die ander vastpinnen op wat gezegd of gedaan is? Blijf niet in de boosheid. Zelfs geen dag, zegt Paulus. Want ‘laat de zon niet ondergaan over uw boosheid’. Dus dat conflict moet eigenlijk dezelfde dag nog uit de weg worden geruimd. Voorzover het van jou afhangt. Want anders ligt de duivel op de loer. Diabolos, in het Grieks. Letterlijk vertaald: degene die alles door elkaar gooit. Die er ook van geniet om dat alles te doen. Zeker binnen de gemeente. Hij geniet van verdeeldheid door conflicten in de kerk. Paulus zegt: geef die duivel geen kans. Een aanhoudende ruzie kan het begin zijn van grote verdeeldheid. Je biedt de duivel zo een scheurtje. Hij zet er zijn breekijzer in. Zo wordt het scheurtje zomaar een kloof van jewelste.  

                Paulus keert daarop terug in vers 31. Daar noemt Paulus een heel rijtje gedragingen. Het zijn bepaald niet de fraaiste. Ze zorgen stuk voor stuk voor conflicten en verdeeldheid. Denk aan ‘alle bitterheid, woede, toorn geschreeuw en laster, alle slechtheid’. Denk met name eens aan dat laatste. Lasteren is praten óver een ander. Praten over wat die ander allemaal wel niet verkeerd heeft gedaan. In plaats van mét die ander te praten. Het gesprek met die ander geeft samenbinding. De laster geeft verwijdering. Evenals al die andere dingen. Stuk voor stuk geen uitingen van heilige, maar van goddeloze toorn.

    Of het misschien iets concreter kan? Zeker. Soms zijn er in een kerk bepaalde issues. Omstreden onderwerpen, waarbij de meningen ver uit elkaar liggen. Denk aan de vormgeving van de erediensten. De een zegt: alles zo laten als het is. De ander zegt: alles zo snel mogelijk veranderen, want anders raken we de dertigers kwijt. De discussies kunnen hoog oplopen. Zo hoog dat mensen met slaande deuren weglopen. Of met dreigementen: doe wat ik zeg, want anders vertrek ik. Soms vertrekken mensen daadwerkelijk definitief. Familieruzies kunnen ook op die manier doorwerken in de kerk. Gaat hij aan het Avondmaal? Dan zie je mij nooit meer terug! Paulus zou zeggen: dit is precies wat de duivel wil. Zo schep je de verdeeldheid in de kerk, waar hij naar uitziet. Zo heeft de duivel vreugde en bedroef je de Heilige Geest.

    Maar stel dat er toch conflicten optreden. Hoe kun je die hanteren, zo, dat de Geest er blij van wordt? Paulus wijst de weg in vers 32: ‘maar wees ten opzichte van elkaar vriendelijk en barmhartig, en vergeef elkaar, zoals ook God in Christus u vergeven heeft.’ Vriendelijk en barmhartig zijn voor iemand die je dwarszat of -zit? Dat lijkt volslagen onterecht. Daar heeft die ander toch zeker geen recht op? Dat is inderdaad vaak ook zo. Maar dan moet je maar aan de Heere denken. Is de Heere ook niet vriendelijk en barmhartig naar jou toe? Hij biedt je Christus aan. Of Hij heeft je je zonden al vergeven. Heb je daar ook maar enigszins recht op? Nee! God had voor eeuwig met je moeten afrekenen! Je was tegen Hem in opstand gekomen. Je wilde Hem niet liefhebben zoals Hij het verdiende. En dan toch mogen weten van Gods vriendelijkheid en barmhartigheid om Jezus’ wil? Mag je dan nog níet vriendelijk en barmhartig zijn, in de richting van een ‘boosdoener’?             

                De vraag is inderdaad: wil je hierin lijken op de Heere? God heeft in Christus u vergeven, zegt Paulus. Heerlijk, als je daarvan mag weten. Heerlijk als je weet: ik draag geen grammetje zonde meer mee op mijn rug. Want in Christus heeft God het zondenpakket zo van mijn schouders gepakt. In Hem, in en door Zijn lijden en dood, heeft God mij vergeven.

    Werd dat het geheim van je leven? Dan mag je een beetje op die Vader in de hemel lijken. Zeker: een broeder of zuster vergeven kan vreselijk zwaar zijn. Jij betaalt de prijs. Jij incasseert het onrecht, zonder het nog aan die ander te vergelden. Maar valt dat je zwaar? Denk dan eens aan Gods vergeving in en door Christus. Die vergeving heeft Hem alles gekost, namelijk Zijn eigen Zoon. Onze pijn en moeite  om te kunnen vergeven valt daarbij altijd in het niet. En juist zo wordt de eenheid van de gemeente gebouwd, waar gemeenteleden elkaar weer de hand reiken. Zo lijdt de duivel een nederlaag. Zo bezorg je de Heilige Geest vreugde.

     

    Amen

     

     

    Reacties

    Commentaar
    Jouw naam/bijnaam
    Website url
    E-mail
    Je Punt profiel
    Hou mij op de hoogte
    Ik wil op de hoogte gehouden worden
    Dit is een verplicht veld
    Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl